Lichamen in de Noordzee.

Stromingen langs de Nederlandse kust en de drift van drijflichamen

Wie zich verdiept in maritieme zoekacties of in de tragische lotgevallen van oorlogsslachtoffers, komt al snel dezelfde vuistregel tegen: lichamen die in de Noordzee terechtkomen, zouden gemiddeld zo’n tien kilometer per dag naar het noorden driften.
Ook ik heb deze vuistregel toegepast maar ben eens gaan onderzoeken hoe realistisch die bewering is. Wat doet de stroming langs de Nederlandse kust werkelijk, en hoeveel invloed hebben wind, golven en seizoenen? En belangrijker nog: gedragen drijvende en gezonken lichamen zich wel hetzelfde?

De Noordzee kent een complex systeem van stromingen, grotendeels gedomineerd door het getij. Elke dag zorgen twee periodes van vloed (stijgend water) en eb (dalend water) ervoor dat het water voortdurend heen en weer beweegt langs de kust. Bij opkomend tij (vloed) stroomt het water langs de Nederlandse kust in noordoostelijke richting (richting het noorden en oosten) – met andere woorden, van Zuid-Nederland naar Noord-Nederland.
Bij afgaand tij (eb) keert de stroming om en beweegt het water zuidwestwaarts, richting België en Frankrijk. Tussen deze fasen in is er een korte kentering (stilte) wanneer het tij keert. Doordat dit proces elke circa 12 uur herhaalt, staat het water voor onze kust eigenlijk nooit stil.

Belangrijk is dat de vloedstroom gemiddeld iets krachtiger is dan de ebstroom.

Tijdens vloed kunnen stroomsnelheden nabij de kust oplopen tot ongeveer 1 à 1,5 meter per seconde, terwijl bij eb de maximale snelheid doorgaans iets lager ligt. Ter illustratie: 1 m/s komt overeen met 3,6 km per uur. Bij zulke snelheden kan het water in de 6 tot 7 uur durende vloedperiode tientallen kilometers afleggen, terwijl het in de eb periode iets minder ver de andere kant op stroomt. Per volledige getijcyclus blijft er dan een netto verplaatsing naar het noordoosten over. Met andere woorden, na een complete ronde van vloed+eb is een waterdeeltje (of drijvend object) gemiddeld een stukje naar het noorden opgeschoven ten opzichte van het vertrekpunt.
Omdat dit elke cyclus gebeurt, bouwt die verplaatsing zich over 24 uur op. Onder gemiddelde omstandigheden kan de opgetelde netto drift in een etmaal inderdaad in de orde van grootte van enkele tot circa tien kilometer noordwaarts zijn. Dit verklaart de stelling dat de stroming van de Noordzee een lichaam ongeveer 10 km per dag naar het noorden verplaatst.

Die noordwaartse drift is het basispatroon – maar de snelheid ervan verandert per seizoen.

  • Winter: krachtigere zuidwestenwinden en meer stormen zorgen voor de hoogste netto verplaatsing. In uitzonderlijke gevallen kan het water tientallen kilometers per dag noordwaarts schuiven.
  • Lente en vroege herfst: stabieler weer, matige stroming.
  • Zomer: de rustige maanden. De reststroom is er nog steeds, maar vaak traag: enkele kilometers per dag en soms zelfs nauwelijks merkbaar.

Interessant is dat de richting nauwelijks verandert – het blijft noordwaarts – maar de kracht van de stroming wel flink kan schommelen. Vooral in de winter wint de zee aan spierballen.

Langs de bodem is de stroming aanzienlijk trager dan aan het oppervlak. Bodemreliëf en zandbanken remmen de beweging. En die verticale verschillen spelen later een cruciale rol in de drift van lichamen.

Drijven versus zinken: twee totaal verschillende verhalen
Wanneer een persoon in zee terechtkomt, volgen er grofweg twee scenario’s: het lichaam blijft drijven of het zinkt. Voor de latere verplaatsing maakt dat een wereld van verschil.

Drijvend aan het oppervlakEen lichaam dat blijft drijven – door lucht in borstkas of kleding, of later door ontbindingsgassen – wordt niet alleen door stroming meegenomen, maar ook door wind en golven.

Wind die op het deel boven water grijpt kan de drift aanzienlijk versnellen. Al bij gematigde wind komt de verplaatsing snel op enkele kilometers per dag. Bij storm kan dat veel meer worden. Golven zorgen via de zogeheten Stokes-drift voor nóg een extra zetje.

Drijvende lichamen leggen daardoor vaak de grootste afstanden af en hebben een hogere kans op stranding. Veel maritieme reddingsdiensten werken daarom met modellen die windinvloeden zwaar meewegen.

Gezonken onder waterEen gezonken lichaam is een heel ander verhaal. Dicht bij de bodem is de stroming zwak en de weerstand groot. Een lichaam dat naar de zeebodem zakt, verplaatst zich vaak nauwelijks meer. Het kan dagen tot weken op vrijwel dezelfde plek blijven liggen.

Pas wanneer ontbinding voldoende gas vormt – wat snel kan gaan in de zomer, maar weken of maanden kan duren in koud water – komt het lichaam weer omhoog. Dán pas begint de horizontale verplaatsing echt.

De bewering dat een lichaam gemiddeld tien kilometer per dag noordwaarts verschuift, blijkt vooral voort te komen uit praktijkervaring en historische vuistregels. In archieven, vooral rond WOII-gevallen, duikt het getal geregeld op. Niet omdat het altijd klopt, maar omdat men nu eenmaal een houvast nodig had.

Kijken we naar metingen en moderne modellen, dan ontstaat een genuanceerder beeld:

  • Onder normale omstandigheden ligt de gemiddelde residuele stroom eerder tussen 2 en 10 kilometer per dag.
  • Die 10 kilometer vormt meestal de bovengrens, niet het gemiddelde.
  • In rustige zomermaanden ligt de drift veel dichter bij 2–5 kilometer per dag.
  • Alleen bij stevige wind of langdurige stroming komt men richting de 10 kilometer of iets daarboven.

Wie een drifttraject wil reconstrueren – of het nu gaat om historisch onderzoek, militaire dossiers of moderne zoekacties – moet rekening houden met seizoen, wind, drijfvermogen en lokale omstandigheden. De vuistregel van 10 kilometer per dag is hooguit een grof startpunt.

Bronnen
Ik heb een vraag (Eos Wetenschap) – “Bevat de zee een stroming?” Antwoord van Sigrid Maebe, 12 mei 2008. Hierin wordt vermeld dat oceaanstromingen gemiddeld circa 10 km per dag afleggen, en dat in ondiepe zeeën zoals de Noordzee zeer sterke getijstromen voorkomen (snelheden tot enkele meters per seconde)ikhebeenvraag.be

Koen Trouw et al. “De zee, een wirwar van stromingen”, De Grote Rede (VLIZ), nr. 42, 2015. Beschrijving van getijstroom langs de Belgische/Nederlandse kust: bij vloed stroomt het water noordoostwaarts (richting Nederland) met ~1–1,5 m/s, bij eb de omgekeerde richting (zuidwest) iets zwakker, resulterend in een netto verplaatsing naar het noordoosten per getijcyclus vliz.bevliz.be.

Begraafplaats Maria Rust (Historische Vereniging Westelijk Voorne) – Artikel over aangespoelde drenkelingen (1945). Beschrijft hoe “het lichaam van Leopold Cattellion door de stroming noordwaarts werd gestuwd” en weken later aanspoelde bij Rockanje, wat de noordelijke stroming van de Noordzee langs de Nederlandse kust in de praktijk bevestigt mariarust.nl.

https://waterkaart.net/gids/stroomatlas-noordzee
Geveld door een ‘pom-pom’ | Stichting Oorlogsslachtoffers